woensdag, juli 14

Hoe moet je ontleden, stappenplan voor basisschool en voortgezet onderwijs Deel 2

Dit is het eerste deel van een van mijn nieuwe categorieën Nederlands Ontleden Stappenplan. Hier beschrijf ik gewoon in een paar delen hoe je gewoon moet ontleden. Dus stel je de vraag:

Hoe moet je nou eigenlijk ontleden?

Dan is dit de juiste plaats (dit is deel 2, hier ga ik nog verder)

4: Meewerkend Voorwerp
Meewerkend voorwerp geeft altijd antwoord op de vraag:

o aan/voor wie/wat + pv + ow +rwwg +lv

VB:

'Ik geef een kado aan Bert.'

- pv = geef aan
- ow = Ik
- lv = een kado

meewvw = aan wie geef ik een kado?
=> aan Bert

5: Naamwoordelijk deel van het Gezegde
- Als een woord iets zegt over een kenmerk of eigenschap van het onderwerp, dan is dat een Naamwoordelijk deel van het Gezegde. Dat wood wordt dan altijd m.b.v. één van de 9  koppelwerkwoorden aan het onderwerp gekoppeld.

o 9 koppelwerkwoorden: "Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen"

VB:

'Ik ben een Gymnasiast.'

- pv = ben
- ow = Ik

naamwd = wat ben ik? Zegt 'een Gymnasiast' iets over mij? Ja, want het is een kenmerk. Het vertelt wat ik 'ben'.
=> een Gymnasiast

6: Bijwoordelijke Bepaling
- Als er nog woorden of delen van een zin (zinsdelen) over zijn gebleven en antwoord geven op: 
wanneer? hoe? waarom? waar? waarmee? enz. Dan is dat een bijwoordelijke bepaling.

VB:

'De Sint staat om 6 uur op plein '44.'

- pv = staat
- ow = De Sint

BwBp = waar staat de Sint?
=>t; op plein 44'

BwBp = wanneer staat de Sint op plein 44'?
=> om 6 uur

In Deel 3 ga ik het helemaal hebben over Samengestelde Zinnen!

Opmerkingen of vragen?
REAGEER!

Geen opmerkingen: